Het was iets meer dan dertig jaar geleden dat het gebeurde. We woonden destijds in Margraten en onze dochter was zoals je dat noemt, in de Sinterklaasrijpe leeftijd.
Als u daar al te oud voor bent, wil ik dat best uitleggen:
Het is de leeftijd dat ze nog vast geloven in de Goedheiligman en niet alleen voor de cadeaus. Het is de leeftijd dat je ze nog bang kunt maken met de zak van Zwarte Piet. De leeftijd ook van vol verwachting klopt ons hart, wie de roe krijgt wie de gard.
Op de avond dat de zak komt, is het heel spannend. Ze zijn er dan ook nog vast van overtuigd dat het allemaal echt is en durven helemaal niet te twijfelen. Je kunt dan nog als ouder naar buiten gaan en in de garage de beroemde zak van Sint pakken, op de voordeur bonken en de zak dan daar neer zetten.
In de tussentijd loop je weer via de garage terug het huis in en sluit heel verwonderd aan bij het gezelschap in de woonkamer en vraagt: was daar niet iemand aan de deur? Met trillende benen kun je haar meenemen en aan de deur gaan kijken en daar staat de zak met cadeaus! Heel spannende ogenblikken om de rest van hun leven nooit te vergeten.
Zo ook de dag dat de Goedheiligman persoonlijk aan de deur komt met nog eens cadeaus! De Personeelsvereniging op het werk wil ook aan de kleintjes van de collega’s aandacht schenken en heeft een echte Sint ingehuurd of een collega of de echtgenoot van een vrouwelijke collega bereid gevonden de hele dag met dat pak aan te lopen. Zo ging dat tenminste bij mij toen onze dochter nog in alles geloofde wat met de Goedheiligman te maken had.
Inmiddels wonen we al jaren niet meer in Margraten maar slijten onze dagen in Gulpen. Een dorp met een centrum vol met terrasjes die al naar gelang de temperatuur en de zon, meer of minder bezet zijn.
Zo ook vandaag op deze minder mooie vrijdag. Ik loop er langs onderweg naar de slager en zie bij Grandcafé Neubourg slechts één koppel, helemaal ingepakt in een dikke winterjas, nog net niet verkleumd in een hoekje zitten. Ze zitten in het hoekje op het terras waar de muur van het gebouw en het hekje met de naam van de brouwerij, een knus plekje vormen. De bank tegen de muur is hun zitplek en aan de afstand tussen hen beiden kun je zien, dat de temperatuur een beetje aan de lage kant is. Ik groet vriendelijk en loop door naar de slager.
Echter op de terugweg, weer komend in de richting van het terras met het echtpaar, komt de vrouw, naarmate ik het terras nader, mij steeds bekender voor. Ja, ik herken haar als een collega van meer dan dertig jaar geleden! Haar man herken ik niet meteen maar dat kan een andere reden hebben.
Ik loop naar hen toe en begroet de vrouw met de woorden: “Als uw voornaam Roos is, dan is de man die naast u zit Sinterklaas”. Beiden kijken mij heel verwonderd aan en vragen naar mijn naam. Ik stel me voor als een collega van meer dan dertig jaar geleden bij een bedrijf in Kerkrade. Nadat ik mijn toenmalige woonplaats nog genoemd heb, stel ik vast dat Sinterklaas nooit namen en adressen vergeet waar hij ooit geweest is. Hij weet nog precies waar we woonden en dat hij destijds bij ons thuis is geweest.
Hij verraadt me ook dat het zware dagen voor hem waren, als hij zijn vrouw een plezier deed en voor haar voor Sinterklaas speelde en bij kinderen van haar collega’s thuis op bezoek ging. Hij liep daarna vast en zeker met twee dagen hoofdpijn rond, van al de zorgen die baard en pruik hem maakten.
Maar hij moest ook toegeven dat hij er veel plezier aan beleefd had als hij de bange gezichten van de kinderen kon omtoveren naar blije en vrolijke gezichten, alleen al met een klein cadeau!
We namen afscheid van elkaar met de woorden van Sinterklaas dat die tijd lang geleden was en dat ze vandaag de dag nog tussendoor naar Gulpen komen om op een terras te genieten van een lekkere kop koffie. En dan komt er een, in eerste instantie onbekende, passant langs, die je als Sinterklaas herkent.
Hij voelde zich een herinnering rijker als een cadeau van de Goedheiligman.
Leave the lid of the coffin a little open ...
Today is the funeral of the mother of a brother in law on the program. Together my wife and I, we go to the church. When I think about going to a funeral again, then I remember that one of the few funerals where we're going since the death of our son in law in 1994. These occasions remind too much of hard times and we try to avoid. There are enough things in life that remind you of unpleasant things from the past, so if you can avoid it do that! At least, I do it!
When we sit in church and the coffin with the dead is to drive all the way in front of the church, then I am thinking about how my "funeral" would have been if there was not resuscitated. When I was in hospital waiting for my surgery, I have once dreamed about my funeral. I dreamed then that my wife could not find the money to pay for the coffee table. I wanted her to shout out where the money was but then realized I’m dreaming and that they could not hear me. Even in the church I had that thought again. This time it went even further: how can I prevent that? Eventually I came to the conclusion, and told my wife about that afterwards. Wouldn’t it be better to leave open the coffin until it was lowered into the grave? If I would have any question, anyone could hear me at least. Moreover, as nice extra, I can see who's at my funeral or rather those who were not there. From my point of view I would have a friendly nod in mind to all as a sign of farewell. The only disadvantage I can think of would be that everyone with holy water brush would come visit me and would sprinkle on me. Maybe I also agree that they would lay a towel in the coffin, just to dry my face. At the end I would also like to shake everyone's hand in thanks that they were there. Because of wintertime when leaving the church, the lid on the coffin could get closed as it will surely be cold outside.
When we sit in church and the coffin with the dead is to drive all the way in front of the church, then I am thinking about how my "funeral" would have been if there was not resuscitated. When I was in hospital waiting for my surgery, I have once dreamed about my funeral. I dreamed then that my wife could not find the money to pay for the coffee table. I wanted her to shout out where the money was but then realized I’m dreaming and that they could not hear me. Even in the church I had that thought again. This time it went even further: how can I prevent that? Eventually I came to the conclusion, and told my wife about that afterwards. Wouldn’t it be better to leave open the coffin until it was lowered into the grave? If I would have any question, anyone could hear me at least. Moreover, as nice extra, I can see who's at my funeral or rather those who were not there. From my point of view I would have a friendly nod in mind to all as a sign of farewell. The only disadvantage I can think of would be that everyone with holy water brush would come visit me and would sprinkle on me. Maybe I also agree that they would lay a towel in the coffin, just to dry my face. At the end I would also like to shake everyone's hand in thanks that they were there. Because of wintertime when leaving the church, the lid on the coffin could get closed as it will surely be cold outside.
Het monument van de steenduwers

Op mijn zondagse wandeling beginnende in het centrum van Gulpen, op de Markt, heb ik mijn pad vervolgd in de richting van Valkenburg. Ver ben ik niet gekomen want bij het Jodenmonument boven aan de Dorpsstraat boog ik linksaf de Beversbergweg in. Een ideale holle weg als je merkt dat de temperatuur op deze zondagmorgen al aardig begint te stijgen.
Aan het einde van de Beversbergweg kom je op een vijfsprong uit en daarbij kies je van de twee veldwegen die rechtdoor gaan, de meest rechtse.
Het is klauteren hier de berg omhoog over het niet geëffende pad totdat je bij de centrale antenne uitkomt. Daar loop je rechtdoor over de geasfalteerde weg in de richting van de Heesel. Je passeert het pas geplaatste wegkruis ter herinnering aan een bominslag tijdens de tweede wereldoorlog.
De weg vervolgend blijf ik maar rechtdoor lopen totdat ik op een T-splitsing uitkom met een rustbank. Een ideale plek voor ouders met kinderen om hier even plaats te nemen of de picknick voor te bereiden terwijl de kinderen in de achter de bank gelegen berenkuil ravotten kunnen.
Is er geen behoefte aan rust, dan loop ik op de T-splitsing naar rechts in de richting van Beertsenhoven. Ik blijf op deze weg en houdt rechts aan op de plek waar een andere zijweg naar links het bos in gaat. De weg gaat stijl naar beneden en het is oppassen geblazen met de vele mountainbikers die hier als gekken naar beneden suizen, met of zonder valhelm.
Beneden aangekomen in Beertsenhoven kan ik uit meerdere richtingen kiezen die duidelijk aangegeven staan. Ik kies voor de weg haaks naar rechts meteen weer de berg omhoog. De richtingwijzer geeft aan “weg over de Dolsberg naar Gulpen”. Het woord berg kunt u hier echt letterlijk nemen want het gaat behoorlijk omhoog. Het is dan ook een genot als je boven aankomt op de Dolsberg en je kunt daar genieten van het prachtige uitzicht over de mooie Limburgse heuvels.
Als je de weg naar beneden loopt en aan het einde van de veldweg uitkomt op een fietspad is het nog maar tien minuten verwijderd van de startplek op de Markt in Gulpen. Een ideale plaats voor een echte “picknick”.
De foto van het monument der steenduwers aan het begin van de wandeling moge voor u een steun zijn op deze tocht want bedenk dat deze mensen het zwaarder hadden dan u op deze wandeling.
Twee fleskes graag!

Ik ben net even naar Erik gegaan om voor vanavond iets lekkers in te slaan. Intussen weet ik precies waar ze staan, helemaal achterin de zaak want ze moeten in het donker staan!
Ik neem altijd de donkere van de twee, niet dat ik iets tegen het blanke ras heb en ook niet omdat die net iets meer heeft. De blonde heeft maar 6,7 en de donkere heeft toch maar eventjes 7,5. Verschil moet er zijn.
Afgerekend en ingepakt in een plastic zak, ga ik er mee naar huis. Meteen in de ijskast om ze voor te koelen voor vanavond. Dan moet ik er wel aan denken om ze op tijd weer uit te pakken om de juiste drinktemperatuur te bereiken.
De voorpret is eigenlijk al veel mooier zoals bij vele dingen. Dromen van een toekomstige vakantie is veel mooier dan op de dag zelf meer dan duizend kilometer met de auto onderweg te zijn.
De gedachten dwalen bij het plaatsen van de flesjes in de koeling al af naar Brugge, naar de rondvaartboten, zonder dak, waarbij de kapitein aan de medepassagiers vertelt wat er allemaal aan moois te zien is langs de vaart en hoe lang het er allemaal al staat, maar vooral wat er heel vroeger allemaal gebeurd is.
Je kijkt je ogen uit in deze mooie stad, waarbij je het liefst achterover zou gaan liggen in de boot en de kapitein vragen om maar even stil te blijven liggen, zodat het allemaal op je kan inwerken. Je kunt er niet genoeg van in je opnemen om ook daarna nog een prettig gevoel over te houden bij de herinnering.
Na de vaart is de weg naar een cafeetje maar heel kort en je komt er gegarandeerd ook daar zo iemand tegen: een Brugse Zotte, blond of bruin. Ze zijn er in grote getale aanwezig, kijk maar om je heen.
De tijd dat ik niet in Brugge kan zijn, probeer ik de herinnering in mijn gedachten levendig te houden door twee van die flesjes Brugse Zotte, bruin graag! Lekker onderuit op de bank, een leuk boek, glaasje op het tafeltje ernaast, de fles nog half gevuld met bruine Zotte. Voor mij heeft de kapitein een halte bereikt en ligt de boot stil. Proost mijne vrienden!
André Darrigade

Hij was een Franse wielrenner, blonde haren, een snelle sprinter die maar liefst 22 etappes in de Tour de France won. In 1959 werd hij zelfs wereldkampioen!
Hij hoorde bij de groten van zijn tijd, noem maar de namen van Rick van Looy, Jean Graczyk, of wie dan ook, André heeft ze allemaal ooit in de sprint verslagen.
Dédé, zoals zijn bijnaam was, veroverde zoveel gele en groene truien in de Tour dat hij de bijnaam kreeg “de man met de honderd truien”.
Ik vind het daarom dan ook niet zo gek dat hij ook naar onze regio afgereisd is om hier zijn rondjes te draaien. Hij was vele malen in België om rondjes rondom de kerk te fietsen en aansluitend een stevige pint te pakken in het stamineeke aan de finish. Vanuit België maakte hij ook vaker uitstapjes naar Zuid-Limburg en kwam zo ook regelmatig in de buurt van Stokhem bij de Dode Man uit. Een Limburgse berg van eerste categorie, het was niet zijn favoriet, want hij hield niet van bergen, hij was de sprinter die met het hele peloton wilde aankomen en dan vlammen, dat was zijn sterke punt.
Maar toch, hij had ook een zwakke kant: Stokhem!
Hij kwam terug naar Zuid-Limburg. Bracht zijn racefiets mee, in de originele staat zoals wij die uit zijn tijd nog kennen: met toeclips en een heuse fietsbel er op!
Voor de laatste keer wilde hij met deze fiets de Dode Man op fietsen. Hij redde het tot halverwege, stopte bij de bank aan de rechterkant en steunde er met zijn rechtervoet op. Hij vond het goed geweest, maakte ook de andere toeclips los, pakte zijn bidon en dronk een flinke slok.
Hij draaide om en toerde naar beneden, vervolgde zijn weg in Stokhem naar rechts weer in de richting van het Kasteel van Wijlré.
Het was voorbij, het was over en sluiten, zelfs zo’n kleine bult dwong hem tot afstappen.
Hij was de oude niet meer en reed nog door tot langs de Kwakkerpool en in de volgende bocht plaatste hij zijn fiets tegen de haag en liet hem staan. Nog een laatste blik gunde hij zijn ijzeren paard en zei hem vaarwel.
Een groter plezier kon hij zijn fiets niet doen dan hem op deze plek neer te zetten en hem zijn rust te gunnen.
André bedankt dat je ons in deze regio de eer gunde om je fiets hier achter te laten als een eeuwige herinnering aan jouw prestaties!
Het verdwenen kasteel in Pesaken
Soms krijg je verhalen toegestuurd van iemand die iets gevonden heeft of denkt dat hij iets heel interessants of bijzonders gevonden heeft. Dat was ook mijn eerste gedachte toen ik de volgende tekst las:
“Rosendaal lag ten zuiden van Gulpen in het gehucht Pesaken, een lintbebouwing op de rechtervoet van de Gulp aan de voet van de Heuvelrug. Aan de overzijde van het riviertje ligt het huis Groenendaal. De precieze ligging van Rosendaal is niet meer vast te stellen, maar wanneer het grachten had is een ligging tussen de beek en de weg waarschijnlijk. De zeventiende-eeuwse besloten hoeve Wachtendonk, die in de literatuur vaak als een edelmanshuis is aangeduid, was mogelijk een voortzetting van Rosendaal”
Zeg nou zelf: als je een beetje bekend bent in de buurt van Gulpen dan roept dit stukje tekst toch een heleboel vragen bij je op. Je probeert dan eerst voor jezelf een beeld te vormen waar deze plek is. Nieuwsgierig als een mens van nature nu eenmaal is, ga je vanzelf op onderzoek uit. Je ziet het zo voor je: de kruising van de Kampsweg met de doorgaande weg door Pesaken. Op de ene hoek het transformatorhuisje, op de andere hoek een vakwerkhuisje. Van daaruit wandel je in gedachten in de richting van Beutenaken, helemaal door Pesaken heen. Maar dit levert geen duidelijk beeld op en het duurt dan ook niet lang voordat je de wandelschoenen aantrekt en ter plekke op onderzoek gaat.
Het tekstuele stuk over het kasteel gaat verder met een stukje bouwgeschiedenis:
“Over de verschijningsvorm van Rosendaal kan weinig worden gezegd. In 1471 werd het goed omschreven als de “hoeff”, hetgeen zeker niet op een kasteelachtig gebouw wijst. De naam is niet ongebruikelijk voor buitenplaatsen in een aantrekkelijke omgeving. Gezien de typische buitenplaatsnaam was het element “vertoeven” mogelijk belangrijker dan het element “wonen”.”
Als laatste volgt er ook nog een stukje tekst over de bewoningsgeschiedenis:
“Het goed met de karakteristieke, op het ‘buitenleven’ geïnspireerde naam Rosendaal was een laathof. In de veertiende en de vijftiende eeuw was deze eigendom van de familie Van Tzievel, die destijds in het zuiden van Limburg wijdvertakt was. Waarschijnlijk huwde Willem van Tzievel in de eerste helft van de vijftiende eeuw met een erfdochter van het huis Goedenrade in Eijs, want in 1454 werd zijn zoon Hendrik ook wel “Hendrik van den Goedenrade genaamd van Rosendaal” genoemd. Hij was vermoedelijk gehuwd met Catharina van Reijmerstok en het is aannemelijk dat zij Rosendaal bezaten. Ze hadden een zoon Hendrik en een dochter Maria, die trouwde met Johan van Linzenich tot Dürboslar. Zij zal het goed hebben geërfd, aangezien Rosendaal in 1616 en 1628 bewoond werd door jonker Andries van Linzenich. Na hem waren zijn broer Jan Andries en zijn erfopvolgers de eigenaren. In de literatuur is wel gesteld dat de zeventiende-eeuwse hoeve Wachtendonk de voortzetting was van Rosendaal.”
De wandelschoenen heb ik aan omdat het woord “waarschijnlijk” me nou echt te vaak voorkomt in het stuk. Waarom zou ik er niet een paar waarschijnlijkheden aan toevoegen van mijn kant? En daar gaan we: op naar Rosendaal! Ik neem de weg achter Kasteel Neubourg en kom zo op de kruising zoals voorheen genoemd, uit. Daar blijf ik even staan en denk: waar zal ik beginnen?
Ik ga rechtdoor, midden door Pesaken over de enige weg die het gehucht rijk is en die aan weerszijden een lintvormige bebouwing heeft zoals ook in de beschrijving genoemd.
Bij één van de huizen aan de rechterkant van de weg zit een heer op een bank voor zijn huis. Het is één van de broers Limpens, van origine bewoners van Pesaken. Ik spreek hem aan en roep de naam Kasteel Rosendaal. Hij reageert: je bedoelt zeker Groenendaal, dat is hier achter ons huis! Neen, zeg ik weer, ik bedoel Rosendaal. Hij reageert verbaasd: Ken ik niet, nooit van geoord. Hoe kom je daaraan?
Ik leg hem uit dat ik ook al bij zijn zus in Gulpen dezelfde reactie heb gehoord en dat ik daarom aanneem dat de Familie Limpens rond 1400 nog niet in Pesaken woonde! Ik vertel hem van het bovengenoemde stukje tekst over het kasteel, maar kom niet verder dan zijn reactie: neen, die naam heb ik nog nooit gehoord.
Ik leg hem ook uit dat er sprake is van de Hoeve Wachtendonk in de tekst die ik gekregen heb, maar hij kan zich niet voorstellen dat deze hoeve vroeger een kasteel is geweest. Ga maar eens kijken en maak maar wat foto’s van de hoeve. Daar herken jij geen kasteel in! En ik vertel je ook nog dat vooral de stenen die aan de achterkant van de hoeve gebruikt zijn, niet op een kasteel duiden maar dat deze gewoon op de akkers achter de hoeve opgeraapt zijn!
Daarmee kan ik het doen en vervolg mijn wandeling in de richting van de Hoeve Wachtendonk. Dit is een pension met een bijbehorende manège waar je je eigen paard kunt meebrengen. De stenen aan de achterkant voldoen aan de voorspellingen van de Heer Limpens. Zie hierna de foto die ik tussen het hekwerk door maakte:

Ik moet hem gewoon gelijk geven en vervolg mijn weg langs de voorkant de hoeve. Het lijkt op een carrévormige boerderij die nooit iets anders is geweest en die iemand heeft omgebouwd naar een pension met daarbij ook nog de mogelijkheid tot paardrijden.
Trouwens een prachtige binnenplaats:

Ik loop verder de weg af en kom uit bij de Molen van Engelen met zijn molenrad aan de zijkant dat helaas niet meer werkt omdat het gewoon niet meer vastzit aan een as en omdat men de molentak van de Gulp die voor de aandrijving van het rad zorgde, heeft afgesneden. Er is alleen nog een grub die aangeeft waar de molentak ooit heeft gestroomd, inclusief een bruggetje.
Niet veel nieuws te zien en ik draai maar om en ga terug.
Op de terugweg blijf ik zo dicht mogelijk langs de heg lopen om vooral het weiland in te kunnen kijken want als het kasteel ooit langs de Gulp geweest is, dan moet ik het van hier uit kunnen herkennen en mezelf een voorstelling kunnen maken waar het gelegen heeft. Ik maak foto’s van de weilanden en wil u die niet onthouden. Let er vooral op dat ik hoger sta (op de weg) dan de plek waar het kasteel mogelijk gelegen kan hebben. Ik zie hierop wel duidelijk de contouren nog van een wel heel raar meanderende molentak van de Gulp.

Wie heeft een idee hoe groot het kasteel is geweest? Het lag op die plek precies tegenover de Hoeve Groenendaal op de oever aan de andere kant van de Gulp. Ik heb de foto’s gemaakt en zie dat de Heer Limpens nog steeds op de bank voor zijn huis zit. Hij kent hier het landschap en kan met mij meedenken. Ik wil er gebruik van maken om samen met hem na te denken over mogelijke bouwsels uit een ver verleden.
Redenerend met de Heer Limpens komen we er op uit dat Kasteel Rosendaal gelegen moet hebben aan de molentak van de Gulp, die door de molen van Engelen gebruikt werd. Het kasteel moet omgeven zijn geweest door grachten om het in die tijd te verdedigen. Het water van de molentak vulde ook de grachten rondom het kasteel. Het was gelegen aan de oever van de Gulp, zoals ook in de tekst genoemd. Hij vertelt mij verder dat het vroeger heel gemakkelijk was om de molentak te sluiten of te openen.
Neem ik er de volgende foto bij dan kan ik alleen maar denken dat dit de plek van Kasteel Rosendaal moet zijn. Links onder in de hoek ligt de molen van Engelen. De bomenrijen markeren de loop van zowel de molentak van de Gulp als ook de Gulp zelf die aan de andere kant van de molen gewoon verder stroomde. Waar deze beide samenkomen heb ik de uitgravingen in het weiland ontdekt die mogelijk de grachten rondom het kasteel zouden kunnen zijn.

Het moet een mooi kasteel op een mooie plek met een mooie naam, Rosendaal, geweest zijn.
Mag ik de leverancier van het cursief gedrukte stukje tekst, mijn broer Jo, bedanken voor de voorinformatie die hij mij gaf en waarop ik voortborduurde, tijdens mijn wandeling en in het gesprek met de Heer Limpens in Pesaken. Wie twijfelt aan de waarheid van dit verhaal, moet ik teleurstellen: de cursief gedrukte tekst komt uit het boek: Kastelen in Limburg, burchten en landhuizen (1000 – 1800). Ik heb hem letterlijk overgenomen zonder ook maar enige vorm van verantwoording hiervoor te nemen of enige vorm van controle hierop uit te voeren.
Bent u het niet mijn uitleg eens, laat het mij dan alstublieft weten! Ik ben u er zeer erkentelijk voor.
Naschrift 1: de naam Rosendaal kan ook als volgt geschreven worden / zijn: Rozendaal, Rozendael en Rosendael.
Naschrift 2: Hoeve de Puthof in Reijmerstok, dat destijds het Bokkenheufke of Reijmerstock heette, was gelegen op het plateau van Margraten en maakte deel uit van het leengoed Reijmerstock. In de 15e eeuw werd het goed gedeeld door Goswin van Anstel en Hendrik van Tz(i)evel van Rozendael. Laatstgenoemde was afkomstig van het riddergoed Rosendael te Pesaken.
“Rosendaal lag ten zuiden van Gulpen in het gehucht Pesaken, een lintbebouwing op de rechtervoet van de Gulp aan de voet van de Heuvelrug. Aan de overzijde van het riviertje ligt het huis Groenendaal. De precieze ligging van Rosendaal is niet meer vast te stellen, maar wanneer het grachten had is een ligging tussen de beek en de weg waarschijnlijk. De zeventiende-eeuwse besloten hoeve Wachtendonk, die in de literatuur vaak als een edelmanshuis is aangeduid, was mogelijk een voortzetting van Rosendaal”
Zeg nou zelf: als je een beetje bekend bent in de buurt van Gulpen dan roept dit stukje tekst toch een heleboel vragen bij je op. Je probeert dan eerst voor jezelf een beeld te vormen waar deze plek is. Nieuwsgierig als een mens van nature nu eenmaal is, ga je vanzelf op onderzoek uit. Je ziet het zo voor je: de kruising van de Kampsweg met de doorgaande weg door Pesaken. Op de ene hoek het transformatorhuisje, op de andere hoek een vakwerkhuisje. Van daaruit wandel je in gedachten in de richting van Beutenaken, helemaal door Pesaken heen. Maar dit levert geen duidelijk beeld op en het duurt dan ook niet lang voordat je de wandelschoenen aantrekt en ter plekke op onderzoek gaat.
Het tekstuele stuk over het kasteel gaat verder met een stukje bouwgeschiedenis:
“Over de verschijningsvorm van Rosendaal kan weinig worden gezegd. In 1471 werd het goed omschreven als de “hoeff”, hetgeen zeker niet op een kasteelachtig gebouw wijst. De naam is niet ongebruikelijk voor buitenplaatsen in een aantrekkelijke omgeving. Gezien de typische buitenplaatsnaam was het element “vertoeven” mogelijk belangrijker dan het element “wonen”.”
Als laatste volgt er ook nog een stukje tekst over de bewoningsgeschiedenis:
“Het goed met de karakteristieke, op het ‘buitenleven’ geïnspireerde naam Rosendaal was een laathof. In de veertiende en de vijftiende eeuw was deze eigendom van de familie Van Tzievel, die destijds in het zuiden van Limburg wijdvertakt was. Waarschijnlijk huwde Willem van Tzievel in de eerste helft van de vijftiende eeuw met een erfdochter van het huis Goedenrade in Eijs, want in 1454 werd zijn zoon Hendrik ook wel “Hendrik van den Goedenrade genaamd van Rosendaal” genoemd. Hij was vermoedelijk gehuwd met Catharina van Reijmerstok en het is aannemelijk dat zij Rosendaal bezaten. Ze hadden een zoon Hendrik en een dochter Maria, die trouwde met Johan van Linzenich tot Dürboslar. Zij zal het goed hebben geërfd, aangezien Rosendaal in 1616 en 1628 bewoond werd door jonker Andries van Linzenich. Na hem waren zijn broer Jan Andries en zijn erfopvolgers de eigenaren. In de literatuur is wel gesteld dat de zeventiende-eeuwse hoeve Wachtendonk de voortzetting was van Rosendaal.”
De wandelschoenen heb ik aan omdat het woord “waarschijnlijk” me nou echt te vaak voorkomt in het stuk. Waarom zou ik er niet een paar waarschijnlijkheden aan toevoegen van mijn kant? En daar gaan we: op naar Rosendaal! Ik neem de weg achter Kasteel Neubourg en kom zo op de kruising zoals voorheen genoemd, uit. Daar blijf ik even staan en denk: waar zal ik beginnen?
Ik ga rechtdoor, midden door Pesaken over de enige weg die het gehucht rijk is en die aan weerszijden een lintvormige bebouwing heeft zoals ook in de beschrijving genoemd.
Bij één van de huizen aan de rechterkant van de weg zit een heer op een bank voor zijn huis. Het is één van de broers Limpens, van origine bewoners van Pesaken. Ik spreek hem aan en roep de naam Kasteel Rosendaal. Hij reageert: je bedoelt zeker Groenendaal, dat is hier achter ons huis! Neen, zeg ik weer, ik bedoel Rosendaal. Hij reageert verbaasd: Ken ik niet, nooit van geoord. Hoe kom je daaraan?
Ik leg hem uit dat ik ook al bij zijn zus in Gulpen dezelfde reactie heb gehoord en dat ik daarom aanneem dat de Familie Limpens rond 1400 nog niet in Pesaken woonde! Ik vertel hem van het bovengenoemde stukje tekst over het kasteel, maar kom niet verder dan zijn reactie: neen, die naam heb ik nog nooit gehoord.
Ik leg hem ook uit dat er sprake is van de Hoeve Wachtendonk in de tekst die ik gekregen heb, maar hij kan zich niet voorstellen dat deze hoeve vroeger een kasteel is geweest. Ga maar eens kijken en maak maar wat foto’s van de hoeve. Daar herken jij geen kasteel in! En ik vertel je ook nog dat vooral de stenen die aan de achterkant van de hoeve gebruikt zijn, niet op een kasteel duiden maar dat deze gewoon op de akkers achter de hoeve opgeraapt zijn!
Daarmee kan ik het doen en vervolg mijn wandeling in de richting van de Hoeve Wachtendonk. Dit is een pension met een bijbehorende manège waar je je eigen paard kunt meebrengen. De stenen aan de achterkant voldoen aan de voorspellingen van de Heer Limpens. Zie hierna de foto die ik tussen het hekwerk door maakte:

Ik moet hem gewoon gelijk geven en vervolg mijn weg langs de voorkant de hoeve. Het lijkt op een carrévormige boerderij die nooit iets anders is geweest en die iemand heeft omgebouwd naar een pension met daarbij ook nog de mogelijkheid tot paardrijden.
Trouwens een prachtige binnenplaats:

Ik loop verder de weg af en kom uit bij de Molen van Engelen met zijn molenrad aan de zijkant dat helaas niet meer werkt omdat het gewoon niet meer vastzit aan een as en omdat men de molentak van de Gulp die voor de aandrijving van het rad zorgde, heeft afgesneden. Er is alleen nog een grub die aangeeft waar de molentak ooit heeft gestroomd, inclusief een bruggetje.
Niet veel nieuws te zien en ik draai maar om en ga terug.
Op de terugweg blijf ik zo dicht mogelijk langs de heg lopen om vooral het weiland in te kunnen kijken want als het kasteel ooit langs de Gulp geweest is, dan moet ik het van hier uit kunnen herkennen en mezelf een voorstelling kunnen maken waar het gelegen heeft. Ik maak foto’s van de weilanden en wil u die niet onthouden. Let er vooral op dat ik hoger sta (op de weg) dan de plek waar het kasteel mogelijk gelegen kan hebben. Ik zie hierop wel duidelijk de contouren nog van een wel heel raar meanderende molentak van de Gulp.

Wie heeft een idee hoe groot het kasteel is geweest? Het lag op die plek precies tegenover de Hoeve Groenendaal op de oever aan de andere kant van de Gulp. Ik heb de foto’s gemaakt en zie dat de Heer Limpens nog steeds op de bank voor zijn huis zit. Hij kent hier het landschap en kan met mij meedenken. Ik wil er gebruik van maken om samen met hem na te denken over mogelijke bouwsels uit een ver verleden.
Redenerend met de Heer Limpens komen we er op uit dat Kasteel Rosendaal gelegen moet hebben aan de molentak van de Gulp, die door de molen van Engelen gebruikt werd. Het kasteel moet omgeven zijn geweest door grachten om het in die tijd te verdedigen. Het water van de molentak vulde ook de grachten rondom het kasteel. Het was gelegen aan de oever van de Gulp, zoals ook in de tekst genoemd. Hij vertelt mij verder dat het vroeger heel gemakkelijk was om de molentak te sluiten of te openen.
Neem ik er de volgende foto bij dan kan ik alleen maar denken dat dit de plek van Kasteel Rosendaal moet zijn. Links onder in de hoek ligt de molen van Engelen. De bomenrijen markeren de loop van zowel de molentak van de Gulp als ook de Gulp zelf die aan de andere kant van de molen gewoon verder stroomde. Waar deze beide samenkomen heb ik de uitgravingen in het weiland ontdekt die mogelijk de grachten rondom het kasteel zouden kunnen zijn.

Het moet een mooi kasteel op een mooie plek met een mooie naam, Rosendaal, geweest zijn.
Mag ik de leverancier van het cursief gedrukte stukje tekst, mijn broer Jo, bedanken voor de voorinformatie die hij mij gaf en waarop ik voortborduurde, tijdens mijn wandeling en in het gesprek met de Heer Limpens in Pesaken. Wie twijfelt aan de waarheid van dit verhaal, moet ik teleurstellen: de cursief gedrukte tekst komt uit het boek: Kastelen in Limburg, burchten en landhuizen (1000 – 1800). Ik heb hem letterlijk overgenomen zonder ook maar enige vorm van verantwoording hiervoor te nemen of enige vorm van controle hierop uit te voeren.
Bent u het niet mijn uitleg eens, laat het mij dan alstublieft weten! Ik ben u er zeer erkentelijk voor.
Naschrift 1: de naam Rosendaal kan ook als volgt geschreven worden / zijn: Rozendaal, Rozendael en Rosendael.
Naschrift 2: Hoeve de Puthof in Reijmerstok, dat destijds het Bokkenheufke of Reijmerstock heette, was gelegen op het plateau van Margraten en maakte deel uit van het leengoed Reijmerstock. In de 15e eeuw werd het goed gedeeld door Goswin van Anstel en Hendrik van Tz(i)evel van Rozendael. Laatstgenoemde was afkomstig van het riddergoed Rosendael te Pesaken.
Reinart is de naam

Als ik hier toch al in de buurt van jullie dorp rondloop, kan ik me ook meteen maar even voorstellen, dan schrikken jullie niet meer zo als je mij ziet. Mijn naam is Reinart. Ik stam af van een heel oude bekende generatie waarvan eigenlijk mijn vóór-vóór-vóór-overgrootvader de bekendste is. Zijn naam was Den Vos Reinaerde en je kunt wel aan de spelling zien dat hij niet uit deze buurt kwam maar van ergens over de grens. Of beter gezegd uit het overbekende en beroemde Vlaamse land. Daar waar ze nog respect hadden voor ons en de namen nog schreven zoals ze uitgesproken worden!
Ik ben hier aan de wandel in de buurt van kasteel Neubourg. Nou ja, ze noemen het Neubourg wat zoveel betekent als nieuwe burcht maar ik zie hier in de buurt niet echt een oude burcht liggen. En als dit al de nieuwe burcht is, waarom zijn er dan allemaal die stellingen eromheen, alsof er aan gewerkt wordt?
Van mijn opa heb ik wel eens gehoord van een oude burcht en die zou geweest zijn in de weilanden die vroeger eigendom waren van Fit Bormans van Hoeve de Wijngaard. Als je de weg vanaf de Dolsberg kwam en dan overstak, kon je zo naar de plek lopen waar de burcht was. Die burcht had dan weer onderaardse verbindingsgangen naar het dorp. Mijn opa vertelde dat hij er wel eens in de gangetjes geweest was. Van de zijkant van de burcht, langs de grachten, waren er diverse ingangen. Je moest heel goed de weg kennen anders kon je daarin ook makkelijk verdwalen. Als de burcht nu nog gestaan zou hebben en de gangen waren nog open geweest dan hadden wij er nooit in gemogen volgens opa. Dat zou veel te gevaarlijk zijn geweest.
Eens op een dag was opa ook in de gangen geweest en hij had van verre een hond horen blaffen. Dat kwam wel eens vaker voor dat honden ook de gangen in gingen en dan niet meer de weg terug konden vinden. Dit keer was het geen gewoon blaffen maar het klonk meer angstig. Opa probeerde te luisteren om zo te weten te komen waar de hond kon zijn. Het klonk als een echo vanuit alle gangen. De arme hond moest wel heel erg bang zijn.
Plotseling kwam het geluid dichterbij en opa verstopte zich even in een zijgangetje. Hij was nu heel dichtbij en oh, daar zag opa al zijn glinsterende oogjes, helemaal nat van de tranen. Hij moest wel verdwaald zijn en wie weet waar hij wel vandaan kwam. Opa fluisterde naar hem: “Psssttt!” en hij reageerde! Hij vroeg, is daar iemand? Heb ik toch nog iemand gevonden die mij redden kan?
Ja, zei opa, kom maar hier naar mij toe. Ik kan je wel helpen. Maar vertel me eerst maar eens hoe kom je in deze gangen? Waar kom je eigenlijk vandaan? Waarom ben je eigenlijk de gangen naar binnen gegaan? Je hebt hier toch eigenlijk niets te zoeken, of wel?
Van louter schrik en natuurlijk van de vele vragen die opa allemaal aan hem stelde, kreeg hij geen woord uitgebracht. Hij had echt een hele tijd nodig om bij te komen, niet alleen van het lange wandelen door de gangen maar ook van het plotseling ontdekt worden door opa. Hij had er al niet meer op gerekend nog iemand tegen te komen en helemaal niet om nog een uitgang te vinden.
Hij vertelde zijn verhaal aan opa dat mensen hem de gangen in gejaagd hadden. Hij liep gewoon in het dorp in de dorpsstraat. Enkele mannen stonden daar te kletsen bij een oud huisje met een diepe kelder. Ze hadden het er over dat vanuit de kelder er gangen liepen naar de plek, waar vroeger een burcht was en waar de burggraaf gewoond had. Als je vanuit de kelder van het huis de gangen in ging dan zou je zo overal naar toe kunnen lopen. Waarheen wisten ze ook niet precies, maar ze wisten wel van horen zeggen, dat er gangen waren naar de oude kerktoren op het kerkhof en naar de oude burcht, die eigenlijk geen burcht meer was maar waar alleen nog een heuveltje met dennenbomen van over was. Dat wilden ze eigenlijk wel eens precies weten en toen hebben ze mij gepakt, zei de hond. Ze gingen met me de kelder in, daar was het heel donker. Ze zetten me daar neer en gingen zelf snel weer naar buiten. Met stokken sloegen ze op de deur om me bang te maken. Ik wist niet meer welke kant ik op moest, ik was zo bang van het geluid dat ik gewoon in een richting rende waarvan ik dacht dat dat zo ver mogelijk van de stokken vandaan was. Ik kwam zo in de gangen terecht en ben maar blijven rennen. Op een gegeven moment ben ik maar beginnen te blaffen en dacht dat mij misschien wel iemand zou moeten horen aan de andere kant van de gangen. Ik moest nu wel heel ver weg zijn van de stokken.
Gelukkig ben ik jou hier tegengekomen, sprak hij tegen opa, die hem vlug het gevoel gaf dat hij niet bang meer hoefde te zijn en dat opa wel de weg naar buiten wist. Opa zei dat hij zeker niet meer terug moest gaan naar die boze mensen. Laat ze maar geloven dat je verdwaald bent, of laat ze maar geloven dat je een uitgang hebt gevonden, maar ga vooral niet terug.
Samen gingen ze naar de uitgang waarbij opa voorop liep want hij kende de weg het beste. Toen ze buiten kwamen wees opa hem de weg naar de Dolsberg. Loop daar maar naar toe. Daar komen niet zoveel mensen en ben je met vrienden onder elkaar.
Dat was het verhaal van mijn opa waar ik nog vaak aan denken moet als ik hier langs de rand van het park rondom de nieuwe burcht loop. Alleen jammer dat mijn opa niet meer leeft anders dan zou hij ook beslist weten waarom er nog steeds zo hard gewerkt wordt aan de verbouwing van de nieuwe burcht. Die had toch al lang klaar moeten zijn? Ook het hekwerk rondom het park zou eigenlijk weg moeten en het hele park open moeten zijn voor iedereen.
Ach, waarom maak ik me zorgen? Ik heb gisteravond lekker gegeten, lekkere malse kip! En er lopen er nog een paar rond voor vanavond. Smakelijk!
Abonneren op:
Posts (Atom)